De rococo veroverde Europa met lichtheid, elegantie en speelsheid. Terwijl de barok zwaar en grootse indruk maakte, koos de rococo voor charme en intimiteit. Hoe ontstond de rococo? Wie waren de belangrijkste kunstenaars? En wat zijn de kenmerken van de rococo?
De rococo ontstond in de eerste helft van de achttiende eeuw en was de kunststroming van de Franse aristocratie. Met kunstenaars als Jean-Honoré Fragonard, François Boucher en Antoine Watteau als voortrekkers, werden pastelkleuren, liefde en het dagelijks leven van de elite de centrale thema’s. Hun sierlijke composities en subtiele humor creëerden een nieuwe beeldtaal die heel Europa zou veroveren.

Begin van de Rococo
Hoe ontstond de Rococo?
Na het overlijden van de Franse Zonnekoning Lodewijk XIV in 1715 veranderde het leven aan het Franse hof ingrijpend. Meer dan zeventig jaar had Lodewijk XIV het absolute gezag gevoerd vanuit het strenge paleis van Versailles. Zijn hof kende een rigide hofprotocol en een overweldigende, imposante kunststijl: de Barok. De barok moest de macht en grandeur van de vorst uitstralen.
Zijn opvolger, de vijfjarige Lodewijk XV, regeerde aanvankelijk onder het regentschap van de hertog van Orléans, die het hof verplaatste van Versailles naar Parijs. De zware, vormelijke stijl van de Barok werd al snel als benauwend en ouderwets ervaren. De adel en de rijke burgerij zochten naar een nieuwe stijl die paste bij hun verfijnde, speelse levenswijze. Kunstenaars reageerden op deze vraag met lichte, sierlijke composities, zachte kleuren en pittoreske taferelen. We noemen deze stijl tegenwoordig de rococo.
De nieuwe stijl verspreidde zich snel vanuit de Parijse salons naar de rest van Europa. Aan de hoven van Pruisen, Rusland, Oostenrijk en de Italiaanse staten werd de rococo enthousiast ontvangen. Architecten verbouwden paleizen in de nieuwe stijl, decorateurs vulden interieurs met goud en pastelkleuren, en schilders leverden werken die het luxueuze en zorgeloze bestaan van de elite weerspiegelden.


François Boucher – Portret van Mme de Pompadour
Waarom heet de kunststroming de Rococo?
De naam ‘Rococo’ is afgeleid van het Franse woord ‘rocaille’, dat verwijst naar de decoratieve motieven van schelpen en stenen die typisch zijn voor de stijl. Rocaille werd gebruikt als ornament in tuinen, fonteinen en interieurs: een grillig, asymmetrisch sieraad dat de natuur imiteerde op een gekunstelde, elegante manier. Gecombineerd met het Italiaanse ‘barocco’ (barok) ontstond de term ‘rococo’.
Interessant genoeg werd de term aanvankelijk spottend gebruikt. Critici gebruikten ‘rococo’ om de stijl te bestempelen als overdreven, frivool en onnozel. Pas later werd de naam als neutrale aanduiding voor de kunststroming geaccepteerd. Tijdgenoten zelf spraken liever van de ‘style moderne’ of de ‘goût nouveau’ – de nieuwe smaak.


Barok: Peter Paul Rubens – Venus en Mars
Rococo: François Boucher – Venus en Mars
Wat is het verschil tussen Barok en Rococo?
De barok en de rococo worden vaak in één adem genoemd, maar verschillen op wezenlijke punten. De barok was de kunst van het absolutisme: groots, dramatisch en overweldigend. Schilders als Caravaggio en Rubens werkten met diepe schaduwen, krachtige contrasten en theatrale composities. De barok moest macht uitstralen – de macht van de kerk, de koning en de staat.
De rococo daarentegen was intiem en persoonlijk. Waar de barok grote altaarstukken en plafondfresco’s voor kerken en paleizen produceerde, richtte de rococo zich op kleinere werken voor privévertrekken en salons. De thema’s verschoven van religieuze en historische verhalen naar galante scènes, mythologische liefdesverhalen en portretten. De kleuren werden lichter, de vormen sierlijker en de sfeer vrolijker.

Kenmerken van de Rococo
Frivoliteit
Het meest opvallende kenmerk van de rococo is de frivoliteit: de vrolijke, luchtige toon die door alle werken heen klinkt. Rococo-schilders stelden zich de wereld voor als een speeltuin voor de elite, waar liefde, vermaak en genot centraal stonden. Jonge geliefden flikflooien in weelderige tuinen, nimfen spelen met cupido’s en deftige dames schommelen zorgeloos in de lucht.
Deze frivoliteit was geen oppervlakkigheid, maar een bewuste keuze. Na de zware jaren van de Zonnekoning verlangde de Franse adel naar amusement en ontspanning. De rococo gaf die wereld een vorm: ideaal, verfijnd en vrij van zorgen. Jean-Honoré Fragonards beroemde ‘De Schommel’ is het schoolvoorbeeld van deze geest – een lachend meisje dat haar schoen de lucht in slingert terwijl twee mannen haar bewonderen.


Dagelijks leven
Het dagelijks leven vormde een geliefd thema in de rococo-kunst. Schilders als Jean-Baptiste-Siméon Chardin en Jean-Étienne Liotard richtten hun blik op de gewone momenten uit leven van iedere dag. Chardin schilderde keukens met koperen potten, een vrouw die groenten schilt, een kind dat zeepbellen blaast. Zijn werken ademen rust en concentratie. Liotard koos voor het pastelportret als zijn wapen. Zijn beroemde La Belle Chocolatière toont een dienstmeisje met een dienblad, fris en alledaags.
Antoine Watteau was de meester van ‘fêtes galantes’, galante feestjes. Het wern een heel eigen genre binnen de rococo. Hij schilderde elegante gezelschappen die zich vermaken in een droomachtige natuur, halverwege tussen werkelijkheid en fantasie. Zijn figuren zijn tegelijk herkenbaar en onbereikbaar: ze leven in een wereld die net iets mooier is dan de onze. Deze melancholische schoonheid maakt zijn werk bijzonder: ondanks alle vrolijkheid sluipt er altijd een gevoel van vergankelijkheid in zijn schilderijen.

Pastel
De rococo heeft een heel eigen kleurenpalet: licht, zacht en poederig. Roze, lichtblauw, ivoor, lichtgeel en mintgroen domineren de schilderijen en interieurs. Dit pastelkleurenpalet paste perfect bij de intieme schaal van de rococo-kunst en de verfijnde interieurs waarvoor ze was bedoeld.
Het pastelgebruik was ook letterlijk: de pasteltechniek – tekenen met gekleurd krijt op papier – werd in de rococo-periode uiterst populair. De Venetiaanse kunstenares Rosalba Carriera maakte de pastelkunst groot en inspireerde daarmee heel Europa. Haar zachte, lichtgevende portretten leken de huid zelf te tonen. Pastel werd zo het medium bij uitstek voor het intimistische, subtiele portret dat de rococo nastreefde.


Kunstenaars van de Rococo
Antoine Watteau
Antoine Watteau (1684–1721) wordt beschouwd als de grondlegger van de rococo. Hij werd geboren in Valenciennes en trok op jonge leeftijd naar Parijs. Watteau leerde het vak door intensief oude Nederlandse en Vlaamse meesters te kopiëren voordat hij zijn eigen stijl verwierf. Zijn gezondheid was altijd zwak en hij stierf op slechts 36-jarige leeftijd aan tuberculose .
Watteau schiep het genre van de ‘fête galante’: schilderijen van elegante gezelschappen die musiceren, dansen en flirten in een idyllische natuur. Hij liet zich inspireren door het theater en schilderde ook vaak scenes uit het Venetiaanse carnaval. Juist deze combinatie van vrolijkheid en vergankelijkheid maakt Watteau tot een van de meest bijzondere kunstenaars van zijn tijd.

François Boucher
Aan het Franse hof was François Boucher (1703–1770) de belangrijkste kunstenaar van het Rococo-tijdperk. Als favoriet van madame de Pompadour, de invloedrijke minnares van Lodewijk XV, genoot hij een ongeëvenaarde positie aan het Franse hof. Hij werd benoemd tot Eerste Schilder van de Koning (hofschilder) en directeur van de Koninklijke Academie. Zijn werk sierde de paleizen en kastelen van de Franse elite.
Boucher schilderde een wereld van weelderige nimfen, spelende engeltjes en mythologische godinnen in roze en blauw. Zijn vrouwelijke naakten zijn sensueel maar nooit rauw: ze zijn ideaal, poederig zacht en omringd door zijde en bloemen. Boucher werkte ook als decorontwerper voor het Sèvres-porselein en de Gobelins-tapijtfabriek, waarmee zijn stijl zijn weg vond naar alle uithoeken van de decoratieve kunsten. Denis Diderot bekritiseerde Boucher scherp vanwege zijn oppervlakkigheid. Maar zijn populariteit bij het grote publiek bleef groot.


Jean-Honoré Fragonard
Als kind verhuisde Jean-Honoré Fragonard vanuit de Zuid-Franse Provence naar Parijs, waar hij leerling werd van François Boucher. In 1752 won Fragonard de prestigieuze Prix de Rome, waarmee hij een verblijf aan de Franse Academie in Rome verdiende. In Italië raakte hij geboeid door de Italiaanse meesters en de weelderige natuur, die zijn stijl voor altijd zou beïnvloeden.
Terug in Parijs werd Fragonard de meest gevraagde schilder van de Franse aristocratie. Zijn beroemdste werk, ‘De Schommel’ (1767), schilderde hij in opdracht van een edelman die zichzelf wilde laten portretteren terwijl hij in het geheim onder de rokken van zijn geliefde keek. Het werd een symbool van de gehele rococo: speels, licht en vol erotische ondertoon. Fragonard schilderde met een losse, bijna impressionistische toets die zijn werken een opvallende levendigheid gaf. Na de Franse Revolutie raakte zijn werk uit de gratie – de nieuwe tijd vroeg om serieuzere kunst – en Fragonard stierf in 1806 in armoede.



Élisabeth Vigée-Lebrun
Élisabeth Vigée-Lebrun (1755–1842) was de meest succesvolle vrouwelijke kunstenaar van de achttiende eeuw. Zij was hofschilderes van koningin Marie-Antoinette en portretteerde de Franse koningin meer dan dertig keer. Haar werken toonden een Marie-Antoinette die menselijker en toegankelijker was dan ooit in staatsportretten te zien was: als moeder met haar kinderen, als muzikante, als elegante dame.
Bij het uitbreken van de Franse Revolutie in 1789 vluchtte Vigée-Lebrun uit Parijs en reisde ze heel Europa door. In Italië, Oostenrijk, Rusland en Engeland werd ze overal met open armen ontvangen door de aristocratie. Na de val van Napoleon keerde ze terug naar Parijs, waar ze haar memoires schreef. Haar portretten combineren de elegantie en charme van de Rococo met een psychologische diepgang die haar werk tijdloos maakt.


Maurice Quentin de la Tour – Zelfportret
Andere Franse kunstenaars
Naast de grote namen kende de Franse Rococo tal van andere belangrijke kunstenaars. Nicolas Lancret en Jean-Baptiste Pater waren leerlingen van Watteau die zijn fête galante-stijl voortzetten. Jean-Baptiste-Siméon Chardin en Jean-Étienne Liotard kozen een andere weg: hij schilderde geen aristocratische feesten maar het stille leven van de gewone burgerij, met keukeninterieurs en stillevens van brood en koper. Zijn werk staat op de grens van de Rococo en de Verlichting. Maurice Quentin de La Tour, Jean-Marc Nattier en Louis Tocqué toonden de Franse aristocratie met hun mooiste pruiken. Nattier schilderde hofdames als godinnen uit de mythologie, compleet met bijbehorende attributen en kostuums.

Giovanni Battista Tiepolo
De grootste decoratieve schilder van de achttiende eeuw en de belangrijkste Italiaanse vertegenwoordiger van de rococo was Giovanni Battista Tiepolo (1696–1770). Hij werd geboren in Venetië en groeide uit tot een meester van het plafondfresco. Zijn werken, vol licht, kleur en dynamische figuren, versierden de paleizen en kerken van heel Europa.
Tiepolo’s meesterwerk is het plafond van de Residenz in Würzburg, dat wordt beschouwd als het grootste plafondfresco ter wereld. Het toont de vier continenten als allegorische figuren, omringd door exotische dieren en mensen. De compositie is overweldigend maar nooit zwaar: Tiepolo slaagde erin de grootsheid van de Barok te combineren met de lichtheid en kleur van de Rococo. Aan het einde van zijn leven werkte hij in Madrid voor de Spaanse koning Karel III.




1. Lucht, 2. Water, 3. Aarde, 4. Vuur
Rosalba Carriera
Rosalba Carriera (1673–1757) was een Venetiaanse kunstenares die de pastelkunst in Europa groot maakte. Aanvankelijk werkte ze met miniatuurportretten op ivoor, maar al snel ontdekte ze de mogelijkheden van de pasteltechniek. Haar zachte, lumineuze portretten veroverden heel Europa: vorsten, edellieden en kunstliefhebbers uit alle windstreken bestelden werk bij haar.
Tijdens haar bezoek aan Parijs in 1720-1721 werd Carriera de sensatie van de stad. Zij portretteerde de jonge Lodewijk XV en werd opgenomen in de Académie Royale als een van de weinige vrouwelijke leden. Haar invloed op de Franse rococo was enorm: zij bracht de pasteltechniek naar Parijs en inspireerde daarmee een hele generatie Franse kunstenaars. Op hoge leeftijd verloor Carriera haar gezichtsvermogen en viel ze in een diepe depressie. Ze stierf in 1757 in Venetië.


Francesco Guardi – Piazzetta in de richting van de San Giorgio Maggiore
Canaletto en de vedute-schilders
Italië leverde meer belangrijke bijdragen aan de Rococo. Giovanni Antonio Canal, beter bekend als Canaletto, schilderde zijn beroemde vedute – nauwkeurige stadsgezichten van Venetië – die massaal werden gekocht door Britse welgestelde reizigers op de Grand Tour. Zijn neef Bernardo Bellotto bracht dezelfde stijl naar de hoven van Dresden, Warschau en Wenen. Francesco Guardi schilderde Venetië op een losser, atmosferischer manier. Zijn schimmerende wateroppervlakken en mysterieuze lichtval maken zijn vedute tot een van de meest poëtische stadsgezichten in de kunstgeschiedenis.





1. Heir, 2. Levee, 3. Orgy, 4. Arrest, 5. Marriage
William Hogarth
In Groot-Brittannië ontwikkelde de Rococo een eigen karakter. William Hogarth was de dominerende figuur van de Britse kunst in de eerste helft van de achttiende eeuw. Hij schilderde satirische reeksen die de zeden en ondeugden van zijn tijd aan de kaak stelden, zoals ‘Marriage A-la-Mode’ en ‘A Rake’s Progress’. Zijn werken combineren de sierlijkheid van de Rococo met een scherpe sociale kritiek die typisch Brits is.
Thomas Gainsborough was de grote portrettist van de Britse Rococo. Zijn portretten van de Britse adel en haute bourgeoisie tonen elegante figuren in weelderige landschappen, met een losse penseelstreek die aan Watteau doet denken. Joshua Reynolds, zijn grote rivaal, was meer classicistisch van aard maar kon de invloed van de Rococo niet ontlopen. Samen legden zij de basis voor de Britse portrettraditie die nog decennia zou doorleven.


Schilderij: de Inscheping naar Cythera
Het meesterwerk ‘Inscheping naar Cythere’ (1717) toont een groep geliefden die vertrekt naar Cythera. De Griekse mythologie beschrijft dit eiland als de geboorteplaats van de liefdesgod Venus. Volgens de meest gevolgde interpretatie van het schilderij is het eiland op de achtergrond te zien als een donkere schaduw in de mist. Om het extra te benadrukken heeft Watteau een aantal cupido’s rondom het eiland afgebeeld. Maar andere kunsthistorici denken juist dat het eiland zelf is afgebeeld en dat de liefdeskoppels net zijn aangekomen. De boeg van het schip is linksonder op het schilderij nog te zien. De paren op het schilderij vieren de liefde met vrolijkheid. We zien hen uitgedost en kleurrijke kleding dansen, in omhelzing of in gesprek. Watteau vangt met het schilderij de frivoliteit en lichtheid, die zo kenmerkend was voor de rococo.

Kunst na de Rococo
Neoclassicisme
Vanaf de jaren 1760 nam de kritiek op de Rococo toe. Filosofen van de Verlichting, onder wie Denis Diderot en Johann Joachim Winckelmann, pleitten voor een terugkeer naar de ernstige, morele kunst van de Grieken en Romeinen. De Rococo was in hun ogen te frivool, te leeg en te zelfingenomen. De nieuwe samenleving had nood aan deugd, rede en burgerlijk idealisme – niet aan schommelende meisjes en knipoogende cupido’s.
Het Neoclassicisme dat volgde, keerde zich nadrukkelijk af van de rococo. Schilders als Jacques-Louis David kozen voor heldere contouren, diepe ruimtewerking en ernstige, heroïsche thema’s uit de Griekse en Romeinse oudheid. Davids ‘De Eed van de Horatiërs’ (1784) geldt als het manifest van de nieuwe stijl: vol mannelijke vastberadenheid en plichtsbesef, in scherp contrast met de vrouwelijke speelsheid van de rococo. De Franse Revolutie van 1789 versnelde deze overgang definitief.

Romantiek
Na de rationele koelheid van het neoclassicisme zochten kunstenaars in de vroege negentiende eeuw opnieuw naar emotie en individuele expressie. De Romantiek, die haar hoogtepunt bereikte tussen 1800 en 1850, deelde met de Rococo een fascinatie voor gevoel, fantasie en de natuur. Maar waar de rococo de natuur als verfijnd decor gebruikte, zag de romantiek haar als een overweldigende, sublieme kracht.
Schilders als Eugène Delacroix en Théodore Géricault brachten kleur en beweging terug in de Franse schilderkunst, als een echo van de levendigheid van de Rococo. De rijke kleurenpracht van Delacroix en zijn losse, expressieve penseelstreek zijn ondenkbaar zonder de rococo-traditie. In die zin is de romantiek niet alleen een reactie op het Neoclassicisme, maar ook een herontdekking van wat de rococo op haar beste momenten kenmerkte: de onmiddellijke expressie van gevoel door kleur en vorm.

Meer weten over andere kunststromingen?
Lees ook onze artikelen over andere kunststromingen:







