Michelangelo’s plafond van de Sixtijnse kapel, het Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci of de school van Athene van Rafaël: het zijn de beroemdste werken van de Renaissance. Allemaal werden ze gemaakt met de fresco-techniek voor muurschilderingen. Hoe wordt een fresco gemaakt?
Muurschilderingen zijn de laatste jaren weer helemaal in. In veel Nederlandse steden verrijzen grote muurschilderingen op flatgebouwen en huizen. Bij deze schilderingen wordt de verf direct op de muur aangebracht en vaak nog beschermd met een doorschijnende toplaag. De fresco-techniek uit de Italiaanse Renaissance werkt anders. Hierbij wordt een dunne natte pleisterlaag op de muur aangebracht voordat de kunstenaar begint te schilderen. De pigmenten trekken vervolgens in deze pleisterlaag. Fresco’s schilder je dus niet op de muur, maar ‘in de muur’.

Stap voor stap
Het schilderen van een fresco is een precies werkje dat veel voorbereiding vereist. Een fresco wordt geschilderd op een pleisterlaag, die bestaat uit een gemalen steen en kalk. Om te zorgen dat dit mengsel goed op de wand kan hechten, is de eerste stap het opruwen van de muur. Daarna kan een laag met ruw pleisterwerk worden aangebracht, deze laag wordt in Italiaans ‘Arriccio’ genoemd.
Nu kan de kunstenaar beginnen met de ondertekening, of ‘Sinopia’ (Italiaans). In de 13e en 14e eeuw maakten kunstenaars deze schets soms meteen op de muur. Masaccio maakte voor zijn schilderingen in de Brancacci-kapel de Sinopia met een rood-bruine verf. Tijdens restauraties komt deze ondertekening soms weer te voorschijn. Zo is er een schets van Petrus ontdekt in de Branacci-kapel, waarvan de daadwerkelijke fresco niet bewaard is gebleven.



Ondertekening: Spolvero of Calco
Latere kunstenaars werkten hun ontwerpschets liever uit op papier, zodat ze complexere composities konden maken en meer details konden tekenen. Van Rafaël is de schets voor de School van Athene bewaard gebleven. Hierop zijn voornamelijk de figuren en de schaduwwerking uitgewerkt. Rafaël maakte de schets met houtskool en krijt op ware grote. Hiervoor moest hij 210 losse papieren aan elkaar plakken.
Rafaël plakte de schets vervolgens op de muur en begon met naalden puntjes door de schets heen te steken (Spolvero-techniek). De afdrukken van de naaldenprikken kon hij later in het pleisterwerk op de muur terugvinden. Met simpel houtskool of krijt kon de schets zo op de muur verplaats worden. Als alternatief konden kunstenaars met een ijzeren stift de lijnen van de schets in de onderliggende pleisterlaag duwen (Calco-techniek). Op de schetsen van Rafaël is bovendien te zien dat hij een raster op zijn tekening heeft gezet. Door hetzelfde raster op de muur te tekenen, was het makkelijker om te zien of hij de schets goed naschilderde op de fresco.

Links: 24 Dagen (giornate) waaruit de fresco bestaat
Rechts: Details waar de grenzen tussen giornate nog zichtbaar zijn
Giornate
Na alle voorbereidingen kon nu het schilderen van de fresco beginnen. De kunstenaar bracht ’s ochtends een dun pleisterlaagje aan, de Intonaco, gemaakt van fijner materiaal met meer kalk dan de ruwe onderlaag. Na een korte periode van uitharden, had de kunstenaar nu 6-8 uur om te schilderen. De pigmenten trekken dankzij de natte ondergrond de muur in. Aan het begin van de dag, als de pleisterlaag nog erg nat is, schildert de kunstenaar de grote kleurvlakken. Kleuren kunnen nu nog een beetje uitlopen. Maar hoe meer de pleisterlaag opdroogt, hoe meer detail hij kan aanbrengen.
Kunstenaars moesten dus vooraf goed nadenken hoe groot stuk van de fresco ze op een dag konden schilderen. Zo gebruikte Masaccio 24 dagen voor het schilderen van de Heilige Drie-Eenheid in de Santa Maria Novella in Florence. Iedere dag bracht hij alleen de Intonaco-laag aan voor het stukje dat hij die dag ging schilderen. Hij probeerde de grenzen tussen twee 2 dagen (Giornate) vaak precies op een lijn te leggen, zodat de verschillen tussen de Intonaco-lagen niet zo opviel. Maar in sommige delen van de fresco zijn de grenzen dus twee Giornate nog goed zichtbaar.

Links: de Perspectieflijnen in de fresco komen samen in een verdwijnpunt
Fresco
Masaccio maakte de fresco van de Heilige Drie-Eenheid in opdracht van een rijke Florentijnse familie. We weten tegenwoordig hun namen niet meer, maar de opdrachtgevers staan links en rechts knielend afgebeeld. In het midden staat God (de vader), die het kruis van Jezus (de zoon) ondersteund. Tussen hen in staat een duif, als symbool voor de heilige geest. Onder de heilige drie-eenheid schilderde Masaccio een skelet met de tekst “Ik was wat gij zijt, en hij zult zijn wat ik ben”. Hij verwijst hiermee naar de eindigheid van het bestaan op de aarde. De fresco van de Heilige Drie-Eenheid is de oudste fresco waarin lijnperspectief op correcte wijze is toegepast. De lijnen in de architectonische boog komen allemaal samen in een verdwijnpunt onderaan het tafereel. Masaccio wordt daarom gezien als een belangrijke vernieuwer binnen de vroege Renaissance.
Als een fresco helemaal opgedroogd was, brachten sommige kunstenaars nog een finishing touch aan. Deze verf trok dus niet meer in de muur, de pleisterlaag was immers droog, maar kwam bovenop de fresco te liggen. Deze ‘a secco’ verflaag was daardoor veel gevoeliger voor slijtage. Fra Angelico schilderde de lucht a secco in zijn fresco van de kruisiging in het San Marco klooster. Hij had eerst een rode achtergrondlaag geschilderd in de fresco en daarna a secco de blauwe verf hier overheen geschilderd. Hierdoor werd de lucht naar boven toe steeds donkerder. Maar door slijtage is het blauw grotendeels verdwenen. Het onderste deel van de lucht is daarom nu helemaal wit. Het goed conserveren van een fresco is dus een hele kunst!

Meer artikelen lezen?
Lees ook onze andere artikelen over kunstenaarsmaterialen:
Of lees onze uitgebreide serie artikelen over fresco’s:












