Giorgio Vasari beschreef de Vlaamse kunstschilder Jan van Eyck als de uitvinder van olieverf. Maar de oorsprong van olieverf blijkt veel ouder te zijn dan gedacht. Wat is de waarheid over de geschiedenis van deze vernieuwende verftechniek?
De ontdekking van de olieverf leest in de Vite van Giorgio Vasari als een spannend jongensboek. Eeuwenlang waren kunstenaars op zoek geweest naar een goede verf om meer levendige schilderijen te maken. Maar zonder resultaat. Totdat Jan van Eyck in Burgge de olieverf ontdekte. Vasari vertelt: “Als hij zijn kleuren [pigmenten] met lijnzaadolie en notenolie mengde, werden ze heel stevig. Het werk was na het drogen waterbestendig. Bovendien werden de kleuren zo helder dat ze vanzelf glansden, zonder vernis. Het mooiste was dat deze verf veel beter mengde dan tempera.”
Volgens Vasari hield Jan van Eyck zijn kennis jarenlang geheim. Niemand mocht weten hoe zulke mooie schilderijen maakte, zodat hij veel lof kreeg voor zijn werk. Pas op hoge leeftijd zou hij zijn kennis hebben gedeeld met Rogier van der Weyden, die het weer doorgaf aan Hans Memling. Het is een schitterend verhaal. Maar klopt er wel iets van?


Jan van Eyck
In de Middeleeuwen werkten kunstschilders meestal met tempera-verf, waarbij pigmenten werden gemaakt met eigeel als bindmiddel. Het resultaat was een vrij matte verf, die bovendien snel droogde en hierdoor niet geschikt was om kleuren in elkaar te laten overlopen. Om meer realistische schilderijen te kunnen maken, was er dus dringend behoefte aan een beter alternatief. Jan van Eyck was waarschijnlijk een van de eerste kunstschilders die op grote schaal olieverf ging gebruiken. Toch was hij niet de enige. Robert Campin experimenteerde rond dezelfde tijd met de nieuwe techniek.
Van Eyck ontdekte dat lijnzaadolie hem nieuwe mogelijkheden bood om de verf in hele dunne laagjes aan te brengen. Door de verf erg te verdunnen kon hij de onderliggende lagen doorschijnen. Een goed voorbeeld zijn de blauwe aderen op de handen van Margarete van Eyck, die door de bovenliggende huidlagen heen schijnen. In tempera zou dit niet goed mogelijk zijn geweest, maar de transparante glanzende olieverf zorgt voor een gelaagd effect. In Portret van een Man (mogelijk een zelfportret) lijkt de huid hierdoor levensecht.

Detail
Olieverf droogt veel langzamer dan tempera. Hierdoor wordt het mogelijk om veel gedetailleerder te werken. In de ‘Madonna met kanselier Rolin’ is op de achtergrond een Vlaamse stad te zien met kerken en torens. Een van de torens is mogelijk gebaseerd op de Dom van Utrecht. Schitterend zijn de bloemen en de vogels op het balkon. De glans van de olieverf zorgt ervoor dat de kroon van echt goud lijkt te zijn en ingelegd met dure edelstenen. Je kan minutenlang naar het doek blijven kijken en steeds een nieuw detail ontdekken.
Jan van Eyck was een tijdgenoot van Giotto, die klassieke altaarstukken maakte in tempera. Naast de gedetailleerde olieverfschilderijen van Van Eyck voelen de fresco’s van Giotto simplistisch en mat. Ze missen de dieptewerking en het detailniveau van hun Vlaamse tijdgenoten.



Mythe Ontkracht
Het was uiteindelijk het werk van Antonello da Messina, dat olieverf ook in Italië introduceerde. Volgens Vasari zou Da Messina naar Brugge zijn gereisd, waar Jan van Eyck hem persoonlijk zou hebben geleerd met olieverf te werken. Maar er is geen enkel kunsthistorisch bewijs dat Da Messina ooit buiten Italië geweest. Waarschijnlijk was hij zelfs niet de eerste Italiaan die met olieverf werkte. Vasari lijkt de feiten dus niet zo precies te kennen.
Al in 12e eeuwse geschriften van Theophilus (‘Over verschillende kunsten’, 1125) staat een recept voor het maken van olieverf. Ook zijn er in kerken in Zweden Middeleeuwse beelden die al met olieverf geschilderd zijn. In een Noorse kerk in Tingelstad is een 13e eeuw altaarstuk dat geschilderd werd met olieverf. Ondanks dat de schilderingen primitief zijn, laat het zien dat olieverf in Scandinavië al werd gebruikt. Vasari had opnieuw dus ongelijk dat Jan van Eyck de uitvinder van olieverf is geweest.

Olieverf of niet?
Sterker nog, vijftien jaar geleden werden er in de Bamyan-vallei in Afghanistan grotschilderingen gevonden waarin walnootolie werd gebruikt. De schilderingen uit 650 voor Christus zouden dan het oudste olieverfwerk ter wereld zijn. In het mengsel zaten echter allerlei bindmiddelen waaronder was. In hoeverre olie uiteindelijk heeft bijgedragen aan de compositie van de verf is niet meer te achterhalen. Zeker is dat dit type van gemixte verf weinig te maken heeft met olieverf zoals we die nu kennen.
Wie de uiteindelijke uitvinder is geweest van de olieverf is dus onbekend. Maar waarschijnlijk ligt de oorsprong van olieverf in Scandinavië, waar het een middel was om kerken te decoreren. In deze Middeleeuwse kunstwerken werd nog niet gebruikt gemaakt van de dunne laagjes verf zoals Jan van Eyck deed. Van Eyck heeft het gebruik van olieverf dus vooral geperfectioneerd en gebruikt voor meer realisme in de schilderkunst tijdens de Renaissance.



In de komende weken volgen artikelen over andere kunstmethoden zoals tempera, fresco en aquarel.


Heel leerzaam. Je uitleg is glashelder. Dat Vasari uitspraken deed die wetenschappelijk gezien ongegrond blijken, moet ons niet verbazen. Veel zogenaamde uitvindingen blijken al eerder bedacht en “gevonden” te zijn, en soms zelfs tegelijkertijd. Het is moeilijk om de eerste gebruiker dan een naam te geven. Een goed idee ‘heeft vele vaders’ wordt wel gezegd, en dat blijkt ook nu weer. Vasari schreef gewoon om zijn lezers te boeien en te enthousiasmeren. Wat hij als een feit had opgepikt gaf hij door als waarheid.
Ik weet niet of je al eens eerder iets geschreven hebt over loodvergiftiging onder schilders? Anders lijkt me dat nog aardig als onderwerp indien je nog het en ander wilt schrijven over het materiaal dat kunstenaars gebruikten voor het maken van hun werk. Sommigen gingen namelijk onbedoeld letterlijk aan hun werk ten onder.
Even wat feedback op dit stuk over Jan van Eyck en de uitvinding van de olieverf.
Er wordt beweerd dat van Eyck een tijdgenoot was van Giotto. Dat klopt natuurlijk niet.
Giotto leefde van 1266 of 1267 tot 1337, en Jan van Eyck van 1390 tot 1441. Er zit dus zo’n honderd jaar tussen.
Wel klopt het dat Giotto in tempera schilderde en van Eyck in olieverf.
Giotto schilderde overigens vooral fresco’s, van Eyck uitsluitend op houten panelen, van hem zijn geen fresco’s bekend.
met vriendelijke groet,
Joost van Leeuwen