Wat is de Weense secessie?

Weense secessie

Wenen was rond 1900 een van de belangrijkste kunststeden van Europa. Met Gustav Klimt als boegbeeld braken de kunstenaars van de Weense secessie met de academische traditie en zochten ze naar een moderne beeldtaal. Hoe ontstond de Weense secessie? Waarom heet de stroming zo? En wat waren de kenmerken van deze kunst?

De Weense secessie ontstond in 1897, toen een groep kunstenaars zich afsplitste van het conservatieve Künstlerhaus in Wenen. Ze wilden moderne kunst een podium geven en organiseerden hun eigen tentoonstellingen. Symboliek en een rijk gebruik van goud zijn herkenbare kenmerken van de stroming. Naast Gustav Klimt groeiden ook Egon Schiele en Oskar Kokoschka uit tot de belangrijkste namen van de Weense secessie.

Ontstaan van de Weense secessie

Hoe ontstond de Weense secessie?

Aan het einde van de negentiende eeuw werd de Weense kunstwereld beheerst door het Künstlerhaus. Deze kunstenaarsvereniging bepaalde welke kunst er in Wenen te zien was. De vereniging hield vast aan de academische traditie, waarin historieschilderijen en portretten in een realistische stijl het meeste aanzien genoten. Voor moderne stromingen was in het Künstlerhaus weinig ruimte. Een groep jongere kunstenaars verzette zich tegen dit conservatisme. Op 3 april 1897 richtten negentien schilders, beeldhouwers en architecten de Vereinigung bildender Künstler Österreichs op, beter bekend als de Secession. Tot de oprichters behoorden Gustav Klimt, die de eerste voorzitter werd, Carl Moll, Koloman Moser, Josef Hoffmann en de architecten Joseph Maria Olbrich en Otto Wagner.

In 1898 ontwierp Olbrich het Secessionsgebouw, een tentoonstellingsruimte met een koepel van vergulde laurierbladeren die al snel de bijnaam ‘de gouden kool’ kreeg. Boven de ingang van het gebouw plaatsten de kunstenaars hun lijfspreuk: Der Zeit ihre Kunst, der Kunst ihre Freiheit (Aan de tijd zijn kunst, aan de kunst zijn vrijheid). Vanaf 1898 gaf de groep ook het tijdschrift Ver Sacrum uit, waarin het nieuwe esthetische programma werd toegelicht en kunstenaars als Klimt hun werk konden tonen.

Secessionsgebouw – Foto: Thomas Ledl CC BY-SA 4.0

Waarom heet de kunststroming de Weense secessie?

De naam secessie komt van het Latijnse secessio, dat afscheiding of terugtrekking betekent. De term verwijst naar de secessio plebis uit het Romeinse Rijk, waarbij de gewone burgers zich terugtrokken uit protest tegen de macht van de patriciërs. De Weense kunstenaars gebruikten deze term om hun eigen afscheiding van het Künstlerhaus te benadrukken: ze braken met de gevestigde orde om een nieuwe koers te varen.

Wenen was niet de eerste stad met een secessiebeweging. Al eerder hadden kunstenaars in München en Berlijn zich onder dezelfde naam afgesplitst van hun plaatselijke kunstenaarsverenigingen. De Weense groep liet zich door deze voorgangers inspireren, maar ontwikkelde een eigen, herkenbare beeldtaal die sterker leunde op symboliek en decoratie dan de Duitse secessies. Om de Weense variant te onderscheiden van de Duitse bewegingen wordt de term daarom vaak aangevuld tot Weense secessie of Wiener Secession.

Kenmerken van de Weense secessie

Symboliek

De kunstenaars van de Weense secessie lieten zich inspireren door het symbolisme, waarin niet de zichtbare werkelijkheid maar innerlijke gevoelens, dromen en ideeën centraal stonden. Onderwerpen als liefde, dood, seksualiteit en de levenscyclus keerden voortdurend terug. Gustav Klimt gaf deze thema’s vorm in vrouwelijke figuren die tegelijk aantrekkelijk en bedreigend zijn, zoals in zijn schilderijen van Judith en Salome. Ook allegorische voorstellingen waren populair. In zijn Beethovenfries uit 1902, gemaakt voor een tentoonstelling ter ere van de componist, verbeeldde Klimt het verlangen van de mensheid naar geluk als een reis langs vijandige krachten naar uiteindelijke verlossing door de kunst.

Gesamtkunstwerk

Een centraal ideaal van de Weense secessie was het Gesamtkunstwerk. Dit streven om architectuur, schilderkunst, beeldhouwkunst en toegepaste kunst tot één samenhangend geheel te smeden, zorgde voor een nauwe samenwerking tussen schilders, architecten en ontwerpers. Het Secessionsgebouw van Joseph Maria Olbrich is daarvan het duidelijkste voorbeeld. Het gebouw, de tentoonstellingen erin en zelfs de gebruikte typografie vormden een eenheid. In 1903 richtten Josef Hoffmann en Koloman Moser de Wiener Werkstätte op, een productiegemeenschap die dit ideaal doortrok naar meubels, sieraden, textiel en interieurs. Ook het Palais Stoclet in Brussel, waar Klimt de mozaïekfriezen voor ontwierp en Hoffmann de architectuur verzorgde, is een voorbeeld van dit streven naar een totaalkunstwerk.

Goud

Het gebruik van goud, en dan vooral bladgoud, is het meest herkenbare kenmerk van de Weense secessie geworden. Gustav Klimt paste de techniek vanaf ongeveer 1899 toe in wat later zijn Gouden Periode wordt genoemd. Hij combineerde olieverf met echt bladgoud en zilver, een techniek die hij deels ontleende aan zijn vader, die als graveur werkte, en aan de Byzantijnse mozaïeken die hij tijdens een reis naar Ravenna had gezien. Werken als Judith en De Kus tonen hoe Klimt figuratieve elementen, zoals gezichten en handen, naturalistisch schilderde, terwijl de rest van het doek oplost in vlakke gouden patronen. Het goud gaf de schilderijen een tijdloze, bijna religieuze uitstraling en versterkte tegelijk de decoratieve beeldtaal die de secessie nastreefde.

Kunstenaars van de Weense secessie

Gustav Klimt

Gustav Klimt werd geboren in 1862 in een voorstad van Wenen, als zoon van een graveur. Hij studeerde aan de Kunstgewerbeschule, de Weense school voor kunstnijverheid, en begon zijn carrière met het decoreren van openbare gebouwen samen met zijn broer Ernst en collega Franz Matsch. Deze opdrachten, waaronder fresco’s voor het Kunsthistorisches Museum en het Burgtheater, bezorgden hem al voor 1897 aanzien in Wenen. Als eerste voorzitter van de Secession gaf Klimt vanaf 1897 richting aan de nieuwe stroming.

Klimts schilderijen combineren naturalistisch geschilderde gezichten en handen met vlakke, rijk versierde oppervlakken. In De Kus (1908) vormen de kleding van het paar een lappendeken van patronen: rechthoekige zwart-witte blokken bij de man, cirkels en bloemmotieven bij de vrouw. Hetzelfde principe zie je in Judith en in het Portret van Adele Bloch-Bauer I, waar de figuur bijna opgaat in het gouden decor van spiralen, driehoeken en oogvormen. Bij zijn universiteitsschilderingen Filosofie, Geneeskunde en Rechtsgeleerdheid zweven naakte lichamen als een donkere stroom door de ruimte. Dat werd destijds als te somber en te naakt ervaren, en de doeken gingen later bij een brand verloren.

Egon Schiele

In 1907 ontmoette Klimt de jonge Egon Schiele, die toen nog aan de Weense kunstacademie studeerde. Klimt herkende zijn talent, kocht tekeningen van hem en introduceerde hem bij verzamelaars en modellen. Schiele ontwikkelde al snel een eigen, veel radicalere stijl dan die van zijn leermeester. Zijn verwrongen lichamen met dikke contourlijnen confronteren de kijker met rauwe naaktheid. Het kleurgebruik is bewust onaantrekkelijk: bleke huid met groene en okerkleurige schaduwen, hier en daar een felrode accent op lippen of wangen.

In 1909 nam Schiele voor het eerst deel aan een tentoonstelling van de Kunstschau, de opvolger van de secessietentoonstellingen. Zijn openhartige naakttekeningen brachten hem herhaaldelijk in conflict met de autoriteiten; in 1912 bracht hij enkele weken in voorarrest door op verdenking van het verspreiden van onzedelijke tekeningen. Schiele trouwde in 1915 met Edith Harms. Zowel Schiele als zijn vrouw overleed in 1918 aan de Spaanse griep, enkele dagen na elkaar en kort na Klimts dood, waarmee in één jaar tijd een hele generatie Weense kunstenaars wegviel.

Oskar Kokoschka – de Windbruid

Oskar Kokoschka

In 1886 werd Oskar Kokoschka geboren in Pöchlarn. Hij studeerde aan de Kunstgewerbeschule in Wenen. Klimt noemde hem het grootste talent van de jonge generatie en zorgde ervoor dat zijn werk in 1908 werd getoond op de Kunstschau. Waar Klimts werk decoratief en Schieles werk grafisch van aard is, schilderde Kokoschka met een losse toets die lijkt op het Duitse expressionisme. Zijn portretten leggen de nadruk op de psychologische spanning van het model, zichtbaar in onrustige, bijna krassende penseelstreken.

Kokoschka’s bekendste schilderij, De Windbruid uit 1914, ontstond na zijn hartstochtelijke en uiteindelijk mislukte relatie met Alma Mahler, de weduwe van componist Gustav Mahler. Na de Eerste Wereldoorlog, waarin hij ernstig gewond raakte, doceerde Kokoschka in Dresden en werkte hij verder aan een expressionistische stijl die hem tot een van de belangrijkste Oostenrijkse kunstenaars van de twintigste eeuw maakte.

Broncia Koller-Pinell – Silvia Koller met vogelkooi
Elena Luksch-Makowsky – Adolescentia

Vrouwelijke kunstenaars

Vrouwen konden pas vanaf 1920 aan de Weense kunstacademie studeren en waren tot die tijd uitgesloten van lidmaatschap van het Künstlerhaus en de Secession. Toch speelden vrouwelijke kunstenaars een rol in de Weense kunstwereld rond 1900, vaak via privélessen of tentoonstellingen bij andere kunstenaarsgroepen.

De beeldhouwster Teresa Feodorowna Ries vestigde zich eind negentiende eeuw in Wenen en zorgde in 1896 voor ophef met haar marmeren beeld van een naakte heks, dat door onder meer keizer Frans Jozef werd bewonderd. Op verzoek van Klimt kreeg ze de kans om haar werk ook op secessietentoonstellingen te laten zien. De schilderes Broncia Koller-Pinell raakte rond 1903 bevriend met Klimt en andere secessiekunstenaars en exposeerde in 1908 op de Kunstschau; haar landgoed in Oberwaltersdorf werd een ontmoetingsplek voor kunstenaars en intellectuelen. Ook Elena Luksch-Makowsky, die vanuit Sint-Petersburg naar Wenen verhuisde, bewoog zich in deze kring. Hun werk is lange tijd onderbelicht gebleven, maar krijgt de laatste decennia meer aandacht in tentoonstellingen over de Weense moderne kunst.

Architecten en ontwerpers

Behalve Klimt, Schiele en Kokoschka telde de secessie een groot aantal architecten en ontwerpers die het Gesamtkunstwerk vormgaven. Joseph Maria Olbrich ontwierp niet alleen het Secessionsgebouw, maar ook meubels en gebruiksvoorwerpen in jugendstil. Otto Wagner, hoogleraar aan de kunstacademie en leermeester van Olbrich, gaf met gebouwen als de Weense Postspaarbank en stations van de Weense Stadtbahn vorm aan een moderne, functionele architectuur. Josef Hoffmann en Koloman Moser richtten in 1903 de Wiener Werkstätte op en ontwierpen samen meubels, sieraden en interieurs, waaronder het Palais Stoclet. Carl Moll, medeoprichter en organisator van de eerste secessietentoonstellingen, en Max Kurzweil behoorden eveneens tot de kern van de beweging.

Schilderij: Beethovenfries van Gustav Klimt

Het Beethovenfries is ruim 34 meter lang en beslaat drie wanden van een zijruimte in het Secessionsgebouw. Klimt werkte met caseïneverf op pleister en voegde stucwerk, vergulde ornamenten, parelmoer, glas en spiegelstukjes toe, zodat het oppervlak glinstert en een reliëf krijgt. Op de linkerwand zweven vrouwenfiguren boven een smekend, naakt mensenpaar dat zich richt tot een geharnaste ridder, die naar verluidt de gelaatstrekken van Gustav Mahler draagt.

De smalle wand toont de vijandelijke machten: de reuzenaap Typhon met zijn vleugels en slangenlijf, en zijn dochters, de drie Gorgonen, die ziekte, waanzin en dood verbeelden. Ernaast staan Wellust, Ontucht en Onmatigheid als zwaar versierde vrouwenfiguren. Op de rechterwand zingt een koor van engelen, gevolgd door een omhelzend paar dat naar Schillers Ode an die Freude verwijst. Het fries was bedoeld als tijdelijke tentoonstellingsdecoratie, maar bleef bewaard en is sinds 1986 permanent te zien in de kelder van het Secessionsgebouw.

Kunst na de Weense secessie

De eensgezindheid binnen de secessie duurde niet lang. Er ontstond een tweedeling tussen de ‘stilisten’ rond Klimt, die de nadruk legden op decoratie en het Gesamtkunstwerk, en kunstenaars die een realistischer schilderstijl voorstonden. Toen het conflict in 1905 escaleerde, verlieten Klimt en zijn aanhangers de vereniging. De Secession bleef als organisatie bestaan, maar de groep rond Klimt zette de vernieuwing van de Weense kunst elders voort, onder meer via de Wiener Werkstätte en latere Kunstschau-tentoonstellingen.

Expressionisme

Kunstenaars als Egon Schiele en Oskar Kokoschka begonnen hun carrière binnen de kring van de secessie, maar ontwikkelden een stijl die zich losmaakte van Klimts decoratieve benadering. Waar Klimt de nadruk legde op vlakke, ornamentele schoonheid, zochten Schiele en Kokoschka juist de psychologische en lichamelijke spanning op. Hun verwrongen figuren en onrustige lijnvoering sloten aan bij het Duitse expressionisme, dat zich in dezelfde periode ontwikkelde rond groepen als Die Brücke en Der Blaue Reiter. Het Weense expressionisme bleef daarbij sterker gericht op het individuele portret en het naakt dan de Duitse varianten.

Jugendstil

De Weense secessie vormt de Oostenrijkse tak van een bredere internationale stroming die in andere landen bekendstond als Art Nouveau, Jugendstil of Modernisme. Net als de Franse en Belgische Art Nouveau kenmerkte de Weense variant zich door organische lijnen, decoratieve vlakverdeling en het streven naar het Gesamtkunstwerk. De Weense jugendstil onderscheidde zich echter door een strakkere, meer geometrische vormentaal, zichtbaar in het werk van Hoffmann en Moser voor de Wiener Werkstätte. Deze rechtlijnige benadering vormde later een van de bronnen voor de art deco en voor het functionalisme dat in het interbellum in Wenen en daarbuiten opkwam.

Meer weten over andere kunststromingen?

Lees ook onze artikelen over andere kunststromingen:

Geef een reactie

Scroll naar boven