Dankzij deze kunstenaars kent iedereen het kubisme (en het is niet Picasso)

Wie kubisme zegt, zegt Picasso. Toch zijn het andere kunstenaars, die de modernistische kunststroming beroemd hebben gemaakt. Deze kunstenaars van de ‘Section d’Or’, vernoemd naar de gulden snede, organiseerden tentoonstellingen om de nieuwe kunststroming te verspreiden. Wie waren deze kubistische kunstenaars?

Op 9 oktober 1912 was het druk in de Galerie Boëtie in Parijs. Zevenentwintig jonge kunstenaars, waaronder Juan Gris, Francis Picabia en Marcel Duchamp, presenteerden hun nieuwste werken. De groep omarmde de nieuwe kunststijl die door kunstcriticus Louis Vauxcelles het kubisme werd genoemd. Na meerdere schandalen op de salon was de tentoonstelling in 1912 de eerste expositie volledig gewijd aan het kubisme.

Albert Gleizes – het Dorsen van de Oogst

Picasso en Braque: Bedenkers van het kubisme

Pablo Picasso en Georges Braque worden gezien als de bedenkers van het kubisme. In het Zuid-Franse L’Estaque en het later in Pyreneeëndorp Céret werkten ze samen aan de nieuwe kunststijl. In de schilderijen zie je de huizen van voor, van boven en van opzij tegelijk. Deze weergave waarin je objecten tegelijkertijd van meerdere kanten ziet, wordt meervoudig perspectief genoemd. Hierdoor ontstaan schilderijen met geometrische vormen, gedomineerd door rechte hoeken en lijnen. Om de vormen te benadrukken gebruikten Braque en Picasso met opzet zo min mogelijk kleur.

Je zou verwachten dat Picasso en Braque bij de eerste grote kubisme-tentoonstelling niet wilden ontbreken. Toch waren de twee niet met schilderijen vertegenwoordigd in de Galerie Boëtie. Sterker nog, Picasso en Braque deden eigenlijk nooit mee aan groepstentoonstellingen. De jonge galeriehouder Daniel-Henry Kahnweiler had met Braque en Picasso een exclusiviteitscontract getekend. De kunstenaars kregen van hem een vast jaarinkomen op voorwaarde dat ze hun werk alleen in zijn galerie tentoonstelden.

Puteaux-groep

Een jaar eerder, tijdens de Salon van Onafhankelijken in het voorjaar van 1911, was een groot schandaal ontstaan. In zaal 7 en 8 van de tentoonstelling werden werken tentoongesteld van Albert Gleizes, Jean Metzinger, Henri le Fauconnier en Robert Delaunay. Kunstcritici waren er niet te spreken over de gefragmenteerde weergave van de werkelijkheid. In “Deux nus” van Metzinger is goed te zien hoe de lichamen en de achtergrond uit elkaar vallen in hoekige vormen. “L’Abondance” van Henri Le Fauconnier, tegenwoordig in de collectie van Kunstmuseum Den Haag, heeft een vergelijkbaar effect.

Bij de najaarssalon (Salon d’Automne) van 1911 kregen de kunstenaars zaal 41 toebedeeld. De kritiek was nog nooit zo heftig geweest. Albert Gleizes schreef erover: “In vrijwel alle kranten was alle beheersing verdwenen. De critici begonnen met te zeggen: het is niet nodig veel ruimte te besteden aan de kubisten, die volstrekt onbelangrijk zijn, en vervolgens gaven ze hen woedend zeven van de tien kolommen die destijds aan de Salon waren gewijd.” Maar de kritiek bracht de kunstenaars dichter bij elkaar. Na de tentoonstelling kwamen ze elke zondag samen in de studio van Jacques Villon in Puteaux, net buiten Parijs. De kubistische groep van Albert Gleizes, Jean Metzinger en de broers Duchamp werd daarom wel de “Puteaux-groep” genoemd.

Du cubisme

Jean Metzinger en Albert Gleizes werkten ondertussen aan een theoretische basis voor het kubisme. In 1912 verscheen hun boek “Du cubisme” waarin ze de basisprincipes van de kunststijl verklaren. Kubisten verwierpen volgens het boek het traditionele perspectief en gaven zichzelf de vrijheid om met objecten te spelen. Hierdoor krijgt de toeschouwer een steeds belangrijkere rol in het werk: als kijker probeer je immers in je hoofd vormen te verbinden om objecten te herkennen. Iedere individuele kijk op het werk kan daarom een andere resultaat hebben. Met andere woorden: iedereen ziet wat anders.

Volgens Metzinger en Gleizes was er geen weg meer terug: “Tenzij we alle moderne schilderkunst willen veroordelen, moeten we het kubisme als legitiem beschouwen, omdat het moderne methoden voortzet en we er de enige momenteel mogelijke opvatting van beeldende kunst in zien.” Volgens hen was kubisme op dat moment de enige relevante schilderkunst. Toch plaatsten ze het kubisme nadrukkelijk in de traditie van de kunstgeschiedenis.

De Puteaux-groep zocht naar harmonie en ideale vormen, zoals kunstenaars in de Renaissance vonden in de gulden snede (Section d’Or). Daarom noemden de kubisten hun eerste gezamenlijke tentoonstelling in 1912 “Section d’Or”. Deze aanduiding moet je niet te letterlijk nemen: aangezien de meeste schilders niet bekend waren met geometrie, werd dit principe meer instinctief dan wiskundig toegepast. De gulden snede van de kubisten was een metafoor voor de zoektocht naar balans en harmonie in hun semi-abstracte schilderijen.

Andere kunstenaars van de Section d’Or

Naast Gleizes en Metzinger speelden andere kunstenaars een cruciale rol binnen de Section d’Or. Juan Gris, een Spaanse kunstenaar die aanvankelijk dicht bij Picasso stond in Montmartre, ontwikkelde een eigen, systematische benadering van het kubisme. In werken als “Portret van Pablo Picasso” (1912) en “Het ontbijt” (1914) combineerde Gris de gefragmenteerde kubistische vormen met heldere, levendige kleuren en strakke, bijna architectonische composities. Waar Picasso en Braque kleur vermeden, maakte Gris er juist een kenmerkend element van zijn kubistische stijl van.

De drie broers Duchamp voegden elk hun eigen interpretatie toe aan het kubisme. Jacques Villon, de oudste broer, experimenteerde in werken als “Marcherende soldaten” (1913) met kleur en licht binnen kubistische vormen, waarbij hij invloeden van het pointillisme verweven met de gefragmenteerde weergave. Zijn broer Raymond Duchamp-Villon, beeldhouwer, vertaalde het kubisme naar drie dimensies met sculpturen als “Het paard” (1914), waarin de kracht en beweging van een paard worden gevangen in dynamische, geometrische vormen. Marcel Duchamp tenslotte zorgde voor opschudding met “Naakt afdalend van een trap nr. 2” (1912), waarin hij beweging en tijd toevoegde aan de kubistische fragmentatie – het schilderij toont hetzelfde figuur in opeenvolgende bewegingsfases.

Kubisme

Twee schandaleuze tentoonstellingen in 1911, de groepstentoonstelling van de “Section d’Or” in 1912 en het theoretische boek “Du cubisme” zorgden ervoor dat het kubisme binnen korte tijd bekend was geraakt bij een groot publiek. Pablo Picasso en Georges Braque waren hierbij allemaal niet betrokken. Jean Metzinger, Juan Gris en Albert Gleizes waren de drijvende krachten achter de ontwikkeling van het kubisme. Metzinger was hiervoor uniek gepositioneerd omdat hij eerder samengewerkt had met Picasso en Braque en later onderdeel werd van de Puteaux-groep.

Toch zou het werk van Metzinger en Gleizes nooit dezelfde waardering krijgen als de schilderijen van Pablo Picasso. Onterecht! Hun bijdrage verdient herontdekking: niet als alternatief voor Picasso, maar als essentieel onderdeel van het verhaal van het kubisme.

Meer lezen?

De kunstgeschiedenis zit vol dogma’s en verhalen, maar wat is er van waar? KunstVensters onderzoekt de meest hardnekkige mythes uit de moderne kunst in een nieuwe serie artikelen.

2 gedachten over “Dankzij deze kunstenaars kent iedereen het kubisme (en het is niet Picasso)”

  1. Marcel Duchamp – Naakt afdalend van een trap nr. 2, Raymond Duchamp-Villon – het Paard, Jacques Villon – Marcherende soldaten, …dat zijn toch Futuristische werken ? Het opbreken van objecten in geometrische vormen en het opbreken van het perspectief concept, is een kenmerk van het Kubisme. Het weergeven van de dynamiek van het object in de ruimte is een kenmerk van het Futurisme… Toch?

    1. Je zou het kubo-futuristisch kunnen noemen inderdaad! De kubisme en futurisme beïnvloedden elkaar in deze tijd, vandaar dat je veel kubistische elementen in het futurisme ziet en andersom!

Geef een reactie

Scroll naar boven

Ontdek meer van KunstVensters

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder