Op de kust van Baranof Island staan totempalen die door de Tlingit en Haida zijn gemaakt: gebeeldhouwde wapendieren, voorouders en familiewapens, opgestapeld tot soms tien meter hoogte. Toen Emily Carr ze in 1907 voor het eerst zag, besloot ze meteen wat ze de rest van haar leven zou schilderen.
Op 18 augustus 1907 vertrok de 35-jarige Emily Carr samen met haar oudere zus Alice aan boord van de SS Princess Royal vanuit British Columbia richting Alaska. Hier bezochten ze het eiland Baranof, waar ze de beroemde totems in het Sitka National Park zagen. Deze totempalen waren gemaakt door de Tlingit- en Haida-volken. In 1904 waren ze tentoongesteld op de Wereldtentoonstelling in St. Louis en daarna ondergebracht als ‘Totem Trail’ in het nieuwe nationale park op Baranof. Carr maakte een aquarel van de trail.


Historische foto’s van Sitka en Old Kasaan, Alaska
Totems
De reis was artistiek gezien een keerpunt. Carr bedacht een ambitieus nieuw project: het documenteren van de aboriginal dorpen en totempalen in British Columbia. Later schreef ze over de reis in haar autobiografie Growing Pains: “By the time I reached home my mind was made up. I was going to picture totem poles in their own village settings.” In Sitka ontmoette Carr ook de Amerikaanse kunstenaar Theodore J. Richardson, die onderzoek deed naar de First Nations-cultuur in Alaska. Hij was onder de indruk van haar werk, omdat het “the true Indian flavour” had.
Tijdens de zomer van 1912 reisde Carr naar Haida Gwaii (Queen Charlotte Islands), de Upper Skeena-rivier en Moresby Island. Hier kreeg ze opnieuw de kans om totempalen te bestuderen. Het Haidavolk had hier expressieve totems gemaakt met gezichten en diermotieven. Carr had ondertussen het Franse fauvisme gezien en begon met een feller kleurenpalet te werken.


De tentoonstelling van 1913
In 1913 organiseerde Carr een tentoonstelling van tweehonderd schilderijen die ze tijdens haar reizen naar het noorden had gemaakt. Hoogtepunt van de tentoonstelling was het indrukwekkende Yan, Q.C.I (Queen Charlotte Islands), waarop tientallen totempalen aan de kust staan afgebeeld. Ook exposeerde ze kleinere doeken met losse totempalen, waarop de details beter zichtbaar zijn. Nu, 100 jaar later, zijn sommige totems die Carr schilderde nog altijd goed te herkennen: zoals de uitsnede van een moeder met een kind in het dorpje Kitwancool.
Carr schilderde niet alleen totempalen, maar ook andere beelden en voorwerpen uit de inheemse culturen. Op haar doeken staan versierde kano’s, beelden van adelaars en huiselijke taferelen. Carrs werk is zo een cultureel document van de vele oorspronkelijke volken in British Columbia. Destijds werden haar doeken echter slecht begrepen. De tentoonstelling kreeg gemengde kritieken en na afloop van de expositie wilde het museum de schilderijen niet hebben. Carr was gedesillusioneerd door de lauwe ontvangst en schilderde de 10 jaar erna nauwelijks.


Emily Carr – Totem Mother
Herontdekking
In 1927 ontdekte Eric Brown, directeur van de National Gallery of Canada, Carrs schilderijen. Hij nodigde haar uit om deel te nemen aan een grote tentoonstelling van de Group of Seven in Ottawa. Zesentwintig van haar olieverfschilderijen, waaronder haar beroemde totempalen, werden opgehangen. Het stimuleerde Carr om opnieuw te gaan reizen. In de zomer van 1928 volgde ze de Nass en Skeena en Haida Gwaii rivieren. Vooral rondom het dorp Gitanyow (Kitwancool) maakte ze een reeks nieuwe schilderijen en aquarellen van totempalen.
Gitanyow is sinds 1972 een beschermd historisch dorp, dat was gebouwd door het Gitksan olk. Het is belangrijk vanwege de bewaard gebleven monumentale kunst en als ceremonieel centrum dat gedeeld werd door de volkeren van de Nass- en Skeena-rivieren. Carr schilderde de traditionele huizen met beschilderde gevels en monumentale kunst, waarvan een groot deel dateerde uit het midden tot het einde van de 19e eeuw. Ze vroeg zo aandacht voor de verdwijnende cultuur van de inheemse volken. In Gitanyow zijn tegenwoordig alleen nog funderingen te zien. Alleen een paar totempalen en de begraafplaats herinneren aan de inheemse bewoning.



Raven
Carrs werk wordt tegenwoordig ook kritisch bekeken. Vanaf begin jaren negentig verschenen analyses van kunsthistorici, die haar manier van werken problematisch noemden. Onderzoeker Marcia Crosby beschuldigde Carr van culturele toe-eigening en een neerbuigende houding tegenover haar inheemse onderwerpen. Crosby stelde bovendien dat Carr de mythe van het “verdwijnende volk” bewust in stand hield, onder meer door in haar memoires vooral verlaten Haida-dorpen te belichten in plaats van aandacht te vragen voor de Gitxsan-gemeenschappen waar de traditionele cultuur juist voortleefde.
Het klopt dat Carr zich vooral richtte op Gitanyow. Hier stond ook een totempaal met een raaf, die Carr jarenlang bleef bezighouden. In haar vroege werk, rond 1912, beeldde ze de totempaal nog nauwgezet en documentair af: duidelijke contouren, natuurlijke kleuren, de paal als herkenbaar object in een dorpsgezicht. Na haar kennismaking met de Group of Seven eind jaren twintig, met name met het werk van Lawren Harris, veranderde haar stijl. Vormen werden geometrischer. Deze ontwikkeling culmineerde in Big Raven (1931), waarin de vervallen totempaal opgaat in een oceaan van bos en licht.



Meer artikelen lezen?
Lees ook onze andere artikelen waarin we bijzondere kunstwerken onder de loep nemen:







